Lees meer over deze zaak  Palestijnen terug op de kaart
De vroegere Israëlische premier Golda Meir zei eens: Er bestaan geen Palestijnen, er zijn alleen maar Arabieren.' Daarmee vertolkte zij de gevoelens van veel Israëli's, die vonden dat de Palestijnen maar een onderdak moesten vinden in de omliggende Arabische wereld. Tegenwoordig twijfelt niemand meer aan het bestaan van de Palestijnen en onderhandelt Israël met de PLO over de politieke rechten van de Palestijnen. In dit artikel: een korte geschiedenis van het Palestijnse volk. Het vruchtbare kustgebied aan de oostzijde van de Middellandse Zee was altijd een aantrekkelijke woonplaats. In de Oudheid lag het ingeklemd tussen de grote rijken van Egypte en Mesopotamië. Het was een doorgangsgebied met veel internationale contacten. Vandaar dat de bevolking vaak gemengd was. In het gebied, dat later Palestina zou gaan heten, woonden al in bijbelse tijden behalve joden vele volken: Ammonieten, Ferezieten, Edomieten en Filistijnen (van hen is de naam Filastin- Palestina afgeleid). Sinds het verspreid raken van de joden over de wereld, de diaspora, was het gebied voortdurend bewoond. De meerderheid van de bewoners ging in de loop der eeuwen over tot de islam en nam het Arabisch als moedertaal aan. Daarom kan men hen dan ook als Arabieren beschouwen. Zij vormden eeuwenlang het hoofdbestanddeel van de bevolking van Palestina, al woonden er ook joodse minderheden. Toen de eerste zionisten eind vorige eeuw arriveerden om zich er te vestigen, troffen ze dan ook geen land zonder volk' aan.

Balfour-verklaring
De Palestijnen zijn de inwoners van het gebied, dat na de Eerste Wereldoorlog onder de naam Palestina onder Brits bestuur kwam. Voor die tijd had het gebied eeuwenlang behoord tot het rijk van de Turkse sultan. De inwoners verschilden in vrijwel niets van die van de omliggende gebieden. Ze spraken dezelfde taal (het Arabisch), hadden dezelfde godsdienst (overwegend de islam, met daarnaast christelijke en joodse minderheden) en deelden dezelfde cultuur en geschiedenis.
Na de ondergang van het Turkse rijk in 1918 verdeelden de overwinnaars, Engeland en Frankrijk het Midden-Oosten onderling in min of meer kunstmatige delen. Palestina kwam onder Brits bestuur. De Engelsen hadden ten aanzien van dit gebied de belofte gedaan, dat hier een joods nationaal tehuis' gevestigd zou worden (de Balfour-verklaring van 1917). Door het antisemitisme in Europa trokken veel joden naar Palestina.
De Arabische bewoners van Palestina zagen in de stroom nieuwkomers een grote bedreiging. Het joodse streven naar een eigen staat op hun grondgebied leidde al snel tot grote onderlinge spanningen. In 1936 kwamen de Palestijnen in opstand tegen het Britse gezag en eisten onmiddellijke onafhankelijkheid op. In Palestina woonde toen nog een duidelijke Arabische meerderheid. Tijdens de Tweede We- reldoorlog zocht een belangrijke Palestijnse leider, Amin al Hoesseini, steun bij Duitsland tegen de Engelsen. Dit bleek een grote misrekening te zijn, die later de Palestijnse zaak ernstig schade zou toebrengen.
Na de Tweede Wereldoorlog was in westerse ogen de noodzaak van een eigen joodse staat duidelijker dan ooit tevoren. Groot-Brittannië, dat de problemen in Palestina niet langer de baas kon, besloot zich uit het gebied terug te trekken. De Verenigde Naties maakten in 1947 een plan om Palestina te verdelen in een joodse en een Palestijns-Arabische staat. Werd aan joodse kant dit plan aanvaard en in 1948 de staat Israël uitgeroepen, aan Arabische kant wees men de verdeling van de hand. De Palestijnen, toen nog de meerderheid van de bevolking, eisten een Palestijnse staat in heel Palestina. Zij voelden zich gesteund door de Arabische staten en hoopten dat deze de vestiging van de staat Israël zouden verhinderen.

Palestijnen vluchten
De Arabische staten trokken onmiddellijk na de oprichting van Israël ten strijde, maar leden een grote nederlaag. Niet alleen wist Israël zijn grondgebied uit te breiden, bovendien was een grote stroom Palestijnse vluchtelingen op gang gekomen. De hoop ooit nog naar hun huizen in Israël te kunnen terugkeren, zou snel vervliegen. De VN zorgden voor hun opvang in vluchtelingenkampen in vrijwel alle omliggende landen. Wat nog restte van Palestina werd bezet door Egypte (de Gazastrook) en Jordanië (de Westelijke Jordaanoever). Jordanië lijfde de Westoever in. Het bood de Palestijnen het Jordaanse staatsburgerschap aan, maar de meesten van hen wilden een eigen staat.
Veel Palestijnen vertrouwden erop dat de Arabische staten op den duur hun land zouden bevrijden. Vooral de Egyptische leider Nasser, de vaandeldrager van de Arabische eenheidsgedachte, wekte die verwachting. Diens confrontatiepolitiek met Israël leidde in juni 1967 tot een grote oorlog tussen Israël enerzijds en Egypte, Syrië en Jordanië anderzijds. In deze Zesdaagse Oorlog bracht Israël een verpletterende nederlaag toe aan zijn drie Arabische buurstaten. De gedeelten van het oude Palestina, die onder Jordaans bestuur (de Westelijke Jordaanoever) en onder Egyptisch bestuur stonden (de Gazastrook) werden nu ook door Israël veroverd. Opnieuw kwam een vluchtelingenstroom op gang, maar ook veel Palestijnen bleven onder de Israëlische bezetting wonen.

Bevrijdingsbewegingen
Voor de Palestijnen was 1967 een keerpunt in hun geschiedenis. Israël bleek een militaire grootmacht te zijn, waartegen de Arabische staten niet opgewassen waren. Vooral Palestijnse jongeren in de vluchtelingenkampen, zagen in dat zij het heft in eigen handen moesten nemen. Zij namen een voorbeeld aan het volk van Vietnam, dat het in die tijd met succes opnam tegen het machtige Amerika. Velen sloten zich aan bij Palestijnse bevrijdingsbewegingen en guerrillagroepen, die door gewapende strijd' hun vaderland wilden bevrijden.
De grootste van deze organisaties heette Al Fatah (de Overwinning) en was tien jaar tevoren opgericht door Yasser Arafat. Daarnaast ontstonden radicalere bewegingen zoals het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PFLP) van George Habasj. Kleinere organisaties werden opgericht met steun van sommige Arabische regeringen, zoals Al Saika (de Bliksemstraal) gesteund door Syrië en het Palestijns Bevrijdingsfront, gesteund door Irak. De meeste van deze organisaties streefden naar de oprichting van een eigen Palestijnse staat, aanvankelijk in heel Palestina. Dat betekende dat de staat Israël van de kaart zou moeten verdwijnen. Behalve nationalistisch waren de meeste organisaties ook links georiënteerd, ze wilden een niet-religieuze, liefst socialistische staat.

Terreuracties
De meeste bewegingen vonden een onderdak in de overkoepelende organisatie PLO (Palestijnse Bevrijdings Organisatie). Na 1967 gaf de Fatah-beweging de toon aan binnen de PLO. Arafat werd voorzitter en in de Palestijnse Nationale Raad (een soort parlement), waren de diverse groepen vertegenwoordigd. Hun strijdmethoden varieerden, maar bleken bij het bevrijden van het eigen grondgebied weinig succesvol. Wel wist men met spectaculaire terreuracties de aandacht van de wereld voor de Palestijnse zaak te winnen. Omstreeks 1970 vond een reeks vliegtuigkapingen plaats en in 1972 gijzelden Palestijnse terroristen de Israëlische sportploeg op de Olympische Spelen van München. Soms drongen gewapende terroristen Israël binnen en vielen burgerdoelen aan.
Hoewel het terrorisme internationaal veel verontwaardiging opriep, groeide toch ook het besef dat Palestijnen recht op een eigen staat hadden. Yasser Arafat kreeg als leider van de PLO steeds meer erkenning als vertegenwoordiger van het Palestijnse volk. Hij werd in diverse landen als een soort staatshoofd ontvangen en sprak de Algemene Vergadering van de VN toe. Israël (en ook de VS) moest daar echter weinig van hebben. De PLO was inmiddels uitgegroeid tot een geduchte gewapende macht, die zich steeds openlijker manifesteerde in Jordanië. De meerderheid van de bevolking van Jordanië bestaat uit Palestijnen. Toen in 1970 gewapende Palestijnse groepen (met name het PFLP) Jordanië steeds openlijker als uitvalsbasis voor terreuracties gingen gebruiken, was voor koning Hoessein de maat vol. Hij zag zijn macht in zijn eigen koninkrijk aangetast worden en zette in een hevige burgeroorlog de gewapende Palestijnse groepen zijn land uit (de Zwarte September van 1970).

Sabra en Chatila
Nadat ze hun machtsbasis in Jordanië verloren hadden, vestigden de meeste Palestijnse strijdgroepen zich in Libanon. Het hele zuiden van Libanon (het zogenaamde Fatah-land) werd al spoedig door de PLO-strijders beheerst en gebruikt als basis voor acties tegen noord-Israel. In 1975 brak in de zwakke Libanese staat de burgeroorlog uit, waarin ook de Palestijnen een rol speelden. Palestijnse acties vanuit Libanon tegen Israël, waren voor Israël aanleiding zich met Libanon te bemoeien. In 1978 bezette het Israëlische leger zuid-Libanon en richtte er een bufferzone in, die het nog steeds als veiligheidszone' bezet houdt.
Van veel groter omvang nog was de operatie Vrede voor Galilea' in 1982, waarmee Israël eens en voor al wilde afrekenen met de Palestijnse aanwezigheid in Libanon. Yasser Arafat wist zich maandenlang met zijn PLO-strijders te handhaven in de belegerde hoofdstad Beiroet. Ten slotte kregen hij en zijn strijdmacht door Amerikaanse bemiddeling een vrije aftocht. Arafat vestigde zijn hoofdkwartier daarna in het verre Tunis. De radicale Palestijnse strijders weken uit naar het eveneens verre Jemen. Na het vertrek van de Palestijnse strijders richtten (onder toeziend oog van Israël) christelijke Libanezen een bloedbad aan onder de achtergebleven Palestijnse burgerbevolking in de vluchtelingenkampen Sabra en Chatila. De wereld reageerde geschokt. In de ogen was het Westen waren de Palestijnen nu terechtgekomen in de rol van slachtoffer en dat wekte meer sympathie op dan die van terrorist.

De Intifada
Arafat, van zijn militaire macht beroofd, leek vrijwel uitgespeeld. Het uiteindelijke doel, de vestiging van een Palestijnse staat in heel Palestina, was niet haalbaar. Zijn organisatie werd betaald door de Arabische staten en dat maakte hem afhankelijk. In de door Israël bezette gebieden (de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook) was de situatie van de Palestijnen er ondertussen niet beter op geworden. Sinds 1967 waren er in die gebieden steeds meer joodse nederzettingen gekomen en het vooruitzicht dat de Palestijnen hier ooit een eigen staat zouden kunnen oprichten, leek verder weg dan ooit. Israël had Oost-Jeruzalem, de overwegend Arabische oude stad met de heilige plaatsen, officieel ingelijfd.
De ontevredenheid, vooral onder Palestijnse jongeren, die zich door de Israëlische bezetting vernederd en door de wereld in de steek gelaten voelden, nam toe. Het links radicalisme had voor hen zijn aantrekkingskracht verloren, maar er diende zich nu een alternatief aan. Evenals elders in het Midden-Oosten, kwamen onder de Palestijnen islamitische bewegingen op. Hamas (afkorting voor Islamitische Verzetsbeweging) en Islamitische Jihad (Heilige Oorlog) bonden nu uit naam van de islam de strijd aan met Israël.
In de verpauperde Gazastrook (met bijna een miljoen inwoners, veel arme en werkloze vluchtelingen) sloeg in december 1987 de vlam in de pan. De Intifada was de eerste grote opstand van de Palestijnen in de door Israël bezette gebieden. Het waren vooral stenen gooiende Palestijnse jongeren, die het opnamen tegen het Israëlische bezettingsleger. Er vielen veel slachtoffers, maar opnieuw ging de aandacht van de wereld uit naar de Palestijnse zaak. Arafat begreep dat nu de tijd gekomen was om de internationale aandacht om te zetten in politieke munt. Om van Palestina nog te redden, wat er te redden was, zocht hij nu internationale steun voor de tweestaten-oplossing': een Palestijnse staat naast Israël. Omdat de VS veel invloed op Israël hebben, zocht Arafat toenadering tot Amerika. Hij erkende in 1988 openlijk het bestaan van Israël en zwoer het terrorisme af.

Het vredesproces
Maar de VS moesten nog steeds weinig van Arafat hebben. Ze wantrouwden hem. In Israël zelf waren contacten met de PLO zelfs strafbaar. Maar door de Golfoorlog van 1991 (de oorlog om Irak uit Koeweit te verdrijven) veranderde er iets. Het had maar weinig gescheeld of Israël was bij de strijd betrokken geraakt. De Amerikanen en inmiddels ook veel Israëli's beseften dat het hoog tijd werd dat er iets aan de Palestijnse kwestie gedaan werd. Naarmate een oplossing langer uitbleef, zou de aanhang van de radicale islamitische groepen onder de Palestijnen immers alleen maar toenemen. Bovendien bleek Arafat nu bereid tot allerlei concessies.
Op Amerikaans initiatief begon in oktober 1991 in Madrid een grote vredesconferentie over het Midden-Oosten. De PLO was als zodanig niet vertegenwoordigd, wel zaten er in Palestijnen in de delegatie van Jordanië. In de praktijk luisterden deze Palestijnen echter toch naar de PLO-leiding in Tunis. De onderhandelingen tussen Israël en de Arabische buurstaten verliepen zeer moeizaam. In 1992 won Rabin de Israëlische verkiezingen. Hij beloofde het vredesproces serieus te zullen nemen zonder evenwel de veiligheid van Israël in.

Palestijns zelfbestuur
In het diepste geheim overlegden Israël en de PLO met elkaar in Noorwegen. Zij verrasten de wereld in de zomer van 1993 met een akkoord. Israël en de PLO erkenden elkaar en zouden nu openlijk met elkaar over vrede onderhandelen. In de tuin van het Witte Huis, schudden premier Rabin en PLO-leider Arafat elkaar onder toeziend oog van de Amerikaanse president Clinton de hand (13 september 1993).
De bereikte Beginselverklaring hield in dat de Palestijnen zelfbestuur (autonomie) zouden krijgen, te beginnen in de Gazastrook en de stad Jericho. Het Israëlische leger zou zich gedeeltelijk terugtrekken, maar de joodse nederzettingen zouden blijven. Later zou dit zelfbestuur geleidelijk worden uitgebreid en zouden onderhandelingen plaats vinden over de definitieve status van de Palestijnse gebieden. In Palestijnse kring was er veel kritiek op Arafat. Men verweet hem met te weinig genoegen te nemen en men wantrouwde Israël. Vooral de vluchtelingen in Libanon, Jordanië en elders voelden zich in de steek gelaten. Voor hen was immers niets bereikt.
Toch kreeg Arafat een heldenontvangst toen hij zijn Palestijnse Autoriteit vestigde in Gaza. Overal wapperde de Palestijnse vlag, er kwamen Palestijnse politie-agenten, rechters, ambtenaren en postzegels. Het leek een Palestijnse staat in wording. In januari 1996 werden er voor het eerst verkiezingen gehouden in de Palestijnse gebieden. Arafat werd gekozen tot president en er kwam een Palestijns parlement. In de loop van dat jaar werd het gezag van de Palestijnse Autoriteit uitgebreid over de grote steden op de Westelijke Jordaanoever.

Aanslagen van de Hamas
De radicale islamitische beweging Hamas was het met Arafats politiek niet eens. Zij wilde een islamitische staat in heel Palestina en probeerde daarom het vredesproces te doorkruisen. In februari en maart 1996 brachten Hamas-aanhangers met zelfmoordaanslagen op Israëlische stadsbussen het vredesproces in gevaar. Dit voedde het Israëlische wantrouwen jegens de Palestijnen. De Palestijnse gebieden werden door Israël afgesloten, waardoor veel Palestijnen die in Israël werkten, werkloos werden. Na de verkiezingen in Israël in mei 1996 werd Likoed-leider Benjamin Netanjahoe premier. Hij moest in zijn hart niets hebben van het vredesproces en wilde het liefst de bezette gebieden behouden. Maar onder grote internationale druk heeft hij toch een aantal concessies moeten doen. Zoals in Hebron. Deze stad staat sinds januari 1997 grotendeels onder Palestijns bestuur.
Er blijven nog genoeg problemen over: komt er een Palestijnse staat? Wat gebeurt er met de joodse nederzettingen en met Jeruzalem? Wat gebeurt er voor de Palestijnse vluchtelingen? Maar één belangrijke doorbraak is aan het eind van deze eeuw bereikt: Israël en de Palestijnen hebben elkaars bestaansrecht erkend.

Bron: Ruud Hoff in Reflector, april 1997


WEEK 36 1999
Kroonprins verliefd/verloofd?
Betuwelijn weer ter discussie
Schokkende uitspraken van nieuwe bisschop
Akkoord Israël en de PLO
Terreur op Oost-Timor
Voorang bij ziekte?